Tracé Brussel

Social profit, tussen algemeen belang en markt

Op 16 juni organiseerde het Vlaams-Europees Verbindingsagentschap (VLEVA) een seminarie over de impact van Europese regelgeving op de social profitsector. De hamvraag: ontsnapt de social profitsector aan het Europese zwaard van Damocles met betrekking tot de toepassing van de dienstenrichtlijn?

 

De dienstenrichtlijn is een vertaling van de interne Europese (liberale) marktregels, die gebaseerd zijn op het Europees Verdrag. Binnen Europa moeten personen, goederen en diensten vrij kunnen circuleren (principe van het vrij verkeer van personen en goederen) en moeten dienstenaanbieders overal hun diensten kunnen aanbieden (principe van de mededinging). Ook rond (concurrentievervalsende) staatssteun is Europa zeer alert.

 

Over die dienstenrichtlijn is al veel te doen geweest. Gezondheidszorg en sociale diensten (sociale huisvesting, kinderzorg, ondersteuning van personen en gezinnen), zijn er van uitgesloten. Ook het courant subsidiebeleid blijft buiten schot. Voor de rest onderscheidt men diensten van algemeen economisch belang (DAEB) en sociale diensten van economisch belang (SDEB) . Maar voor grote delen van de social profitsector is er nog onduidelijkheid en zullen vooral uitspraken van het Europees Hof van belang zijn. Als het Europees Hof er zich moet mee bemoeien, gaat het vaak over conflictsituaties.

 

Wat de staatssteun betreft, zou meer moeten overgeschakeld worden van personeelsfinanciering naar opdrachtenfinanciering.

 

Hoe dan ook groeit het marktconcept. Zowel vanuit Europa, door de creatie van een Europese ruimte, als vanuit de lidstaten, door de toepassingen van de Europese richtlijnen. De lidstaten besteden een aantal diensten uit, gooien ze op de markt. Aanbieders gaan daar met elkaar in concurrentie om op het overheidsaanbod in te gaan. De overheid is de regisseur. Ze kan de opdrachten van algemeen belang op verschillende manieren toewijzen, o.a. via een mandaat. Mits zo'n mandaat goed opgemaakt is, kan het ontsnappen aan de dienstenrichtlijn.

 

Over het algemeen moeten de lidstaten hun beleid harmoniseren naar het Europees niveau. Zij moeten wel zorgen dat het algemeen belang gediend blijft en dat de financiële tussenkomsten zo weinig mogelijk marktverstorend zijn, dat ze in verhouding staan tot de resultaten en dat ze transparant zijn. Enkele voorbeelden van uitgesloten voorwaarden voor de aanbieders: geografische beperkingen, rechtsvormen, minimum en maximumtarieven, verplichte dienstpaketten, tenzij Europa de argumentatie van de lidstaat aanvaardt.

 

Toegepast op de sociale economie, komen we bij volgende vragen. Zijn de diensten die sociale economieprojecten leveren van economische aard ? Zijn ze van algemeen (individueel of collectief) belang ? Dan vallen ze wellicht buiten de dienstenrichtlijn. In Vlaanderen gaat het dan over beschutte en sociale werkplaatsen (BW, SW) en over de lokale diensteneconomie (LDE) . In Brussel gaat het dan over de plaatselijke initiatieven voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid (PIOW).

 

De sector van de sociale economie vraagt tijdens het Belgisch voorzitterschap van de Europese Unie (2de semester 2010) aandacht voor erkenning en zichtbaarheid van de sociale economie als volwaardige partners in het economisch beleid (naast kapitalistische ondernemingen). Tevens vraagt men toegang tot de Europese structuurfondsen (vb ESF) en een erkenning.

 

Tot slot van het seminarie kwam Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, Jo Vandeurzen (CD&V) aan het woord.


Hij stelt vast dat verschillende studies over de toepassing van de Europese richtlijnen tot verschillende conclusies kwamen voor de overheid. In de social profitsector is er ook veel begripsverwarring, vb over wat marktwerking is en wat niet. De overheid gaat alleszins meer sturend optreden en zoekt partners om oplossingen te bieden voor belangrijke maatschappelijke uitdagingen, zoals de veroudering van de bevolking.

 

Hij ziet volgende uitdagingen voor de sector:

  • er is méér flexibiliteit en dynamiek nodig, want de problemen zijn er nu en ze nemen toe
  • de diensten moeten toegankelijker worden, de kwaliteit moet gewaarborgd zijn
  • er is nood aan méér ondernemerschap en efficiëntie
  • Vlaamse organisaties zullen zich moeten meten met buitenlandse aanbieders